Met aandacht lopen | Toegepast Boeddhisme

De werkwijze van (groeps)intervisie met behulp van lichaam, spraak en geest

De werkwijze van intervisie met behulp van lichaam, spraak en geest is een werkwijze die iemand kan helpen (en meestal ook helpt) om de omgang met een bepaalde persoon te verbeteren. Die persoon kan een lastig familielid zijn of een lastige collega. In elk geval gaat het om iemand waar we graag op een andere en constructievere manier mee om willen gaan. Of iemand die we beter willen begrijpen. De werkwijze vindt plaats in een groep. 

Beschrijving van de werkwijze

In de groep brengt één persoon (de inbrenger) een persoon in die geen onderdeel is van de groep (de ingebrachte persoon). Daarna beschrijft de inbrenger deze ingebrachte persoon volgens een precies voorgeschreven formaat. De ingebrachte persoon moet iemand zijn waar de inbrenger beter mee om wil leren gaan. Juist vanwege de precieze beschrijving wordt de ingebrachte persoon voor de aanwezigen in de groep ‘realistisch’ en ‘levend’. De ingebrachte persoon komt tot leven. Op basis daarvan kunnen de aanwezigen hun ervaringen en adviezen inbrengen. Door de situatie zo levend mogelijk te maken, is er voor iedereen wat te leren en is de ingebrachte persoon veel meer dan een ‘een casus’, ‘probleem’ of ‘klacht’. Omdat van alle aanwezigen veel aandacht en gewaarzijn wordt gevraagd is er sprake van een boeddhistische geïnspireerde, spirituele of contemplatieve werkwijze. 

De inbrenger brengt de ingebrachte persoon in door middel van een beschrijving van lichaam (dat wat feitelijk te zien is aan de persoon of zijn/haar omgeving), van spraak (de wijze van communiceren, verschijnen, energie van die persoon) en van geest (het raamwerk van het denken van die persoon, de visie, de opvattingen, …). De inbrenger beschrijft de ingebrachte persoon zo precies en helder mogelijk, zo feitelijk mogelijk. Met name dit onderdeel vraagt een grote discipline van zowel de inbrenger als alle deelnemers. Daarom is het noodzakelijk om de werkwijze een aantal keren met getrainde begeleiders te oefenen, voordat de groep het zelfstandig kan. Dat is nodig. De stappen in de werkwijze zijn: 

1. Ruimte creëren 

Een eerste keer is er ongeveer 1½ – 2 klokuren nodig voor deze groepsbijeenkomst. Gewenst is dat de bijeenkomst in een afzonderlijke ruimte plaats vindt waarin de deelnemers zich veilig en op hun gemak voelen. Er mogen geen andere mensen binnenkomen. Groet elkaar, ga er goed voor zitten, ontwikkel aandacht. 

2. Een persoon presenteren

Degene die presenteert (de inbrenger) heeft een ‘probleem’ of in elk geval een bijzondere situatie met de persoon die hij/zij presenteert (de ingebrachte persoon). Het doel van de presentatie is dat ingebrachte persoon ‘tot leven komt’ voor alle groepsdeelnemers, zodat zij zich een goed beeld kunnen vorm van de gehele situatie met ‘de inbrenger’ en ‘de ingebrachte persoon’. Zowel de inbrenger als de groepsdeelnemers houden niets achter. Ze proberen de situatie zo eerlijk mogelijk te beschrijven en zich voor de situatie zo eerlijk mogelijk te openen. De inbrenger beschrijft van de ingebrachte persoon:

  • Het lichaam: fysieke voorkomen en de situatie
    Voorbeelden: leeftijd, geslacht, beschrijving van lichamelijke kenmerken, verschijning, manier van deelnemers, aandacht voor uiterlijk, persoonlijke verzorging, lichamelijk welbevinden, gezondheid, lichaamshouding, huiselijke omgeving, …..
  • De spraak: de energie, de communicatie, interactie, relatie in die situatie
    Voorbeelden: communicatie, hoe gaat deze persoon om met anderen; verhouding tot geld of baan, manier van ademen, levendigheid of saaiheid (doods); gevoel van welbevinden of angst, ongerustheid, manier van spreken, energetische kwaliteit, drukt zich direct en helder uit, …
  • De geest: de opvatting, visie, ideeën, verwachtingen in die situatie
    Voorbeelden: op welke manier toont hij/zij gewaarzijn? hoe groot of hoe klein is zijn/haar wereld? spirituele beoefening, aspecten van de omgeving of situaties in de communicatie die hun (wereld)beelden vergroten of beperken, gedachteprocessen, manier van denken, inhoud van denken, relatie met de eigen geest, ….

De beschrijving vindt plaats zonder oordelen of interpretaties, dus feitelijk. Het enige doel is dat elke deelnemer in de groep een helder beeld ontwikkelt van de ingebrachte persoon op basis van de precieze beschrijving. Elke deelnemer kan daarbij vragen stellen als iets onduidelijk is. Ook de werkwijze van ‘vol aanwezig zijn’ op deze website is gebaseerd op lichaam, spraak en geest. Klik op vol aanwezig zijn voor meer informatie.

3. Gevoelens, ervaringen uitwisselen

Bij deze stap is de vraag aan alle deelnemers van de groep wat deze ingebrachte persoon of situatie bij een ieder oproept. Het is daarbij belangrijk ‘ik’-uitspraken te doen en eigen opvattingen of analyses achterwege te laten. Het gaat er alleen om dat een ieder contact maakt met het gevoel dat de beschrijving bij hem of haar oproept. 

4. Gezondheid van de situatie benoemen 

Hoe rottig de situatie ook is die ingebracht wordt, of hoe vervelend de persoon ook is die wordt beschreven, er is altijd iets gezonds in de ingebrachte persoon of in de gehele situatie te vinden. Door de gezondheid te benoemen in de situatie, worden de krachtige elementen versterkt. Vaak zijn we genegen om te versterken van niet goed gaat. Bij deze stap wordt juist gevraagd naar wat er goed is. Daardoor krijgen we een bredere kijk op de situatie of de ingebrachte persoon. Bij deze stap kan kennis over de vijf stijlen, wijsheden een belangrijke rol spelen. Zie de inleiding in de vijf stijlen, wijsheden op deze website. 

5. Aspiraties uitspreken 

Wat gunnen we  ‘de inbrenger’ en de ‘ingebrachte persoon’? Wat zouden we wensen dat er in deze situatie gebeurde? Waar hopen we op zodat die persoon er beter uitkomt? Ieder lid van de groep spreekt zich hierover uit. Het gaat daarbij niet om persoonlijke opvattingen en meningen ‘zo zit dit en dit moet er gebeuren’ of ‘dit heb ik al eerder meegemaakt en toen hebben we het zo opgelost’, maar om aspiraties: ‘dat wens ik die persoon graag toe’. 

6. Afsluiten 

De inbrenger moet de gelegenheid krijgen te zeggen waarom z/hij deze persoon gepresenteerd heeft en wat hij van het proces heeft opgestoken. De begeleider moet zich er ook van vergewissen dat de inbrenger het gevoel heeft dat er voor hem gezorgd is en er perspectief is. Tot slot kunnen alle deelnemers weergeven wat zíj van deze werkwijze geleerd hebben in hun situatie. Tot slot: sluit de bijeenkomst met aandacht af.

Ontstaan werkwijze

De werkwijze van (groeps)intervisie van lichaam, spraak en geest is ontstaan op Naropa Universiteit, een boeddhistisch geïnspireerde universiteit in Boulder in de VS (zie www.naropa.edu). Op deze universiteit speelt de ontwikkeling van aandacht en gewaarzijn o.a. via meditatie, in de opleiding een belangrijke rol. Vanuit de ervaringen daarmee werd er gezocht (en wordt er nog steeds gezocht) naar toepassingen van aandacht en gewaarzijn in verschillende disciplines. Eén van de werkwijzen die uit deze zoektocht is voortgekomen is die van lichaam, spraak en geest. De werkwijze is oorspronkelijk ontworpen voor psychotherapeuten maar bleek al spoedig op veel meer plaatsen bruikbaar. De officiële titel van de werkwijze is: ‘een contemplatieve werkwijze bij klinische supervisie’. Wij noemen deze werkwijze ‘de werkwijze van intervisie van lichaam, spraak en geest’. 

Kenmerken werkwijze

De werkwijze van intervisie van lichaam, spraak en geest heeft een aantal kenmerken. We noemen ze:

  • De werkwijze is ontworpen binnen de beoefening van aandacht en gewaarzijn. De reden is dat deze beoefening één van de meest fundamentele werkwijzen is die onze vriendelijkheid en mededogen naar onszelf en anderen ontwikkelt. De werkwijze van intervisie van lichaam, spraak en geest heeft dat ook als doel. Het doel is dat de inbrenger effectiever en met meer mededogen leert omgaan met de ingebrachte persoon. Het is daarnaast de bedoeling de werkwijze toe te passen zonder beoordelingen of veroordelingen naar wie dan ook: noch naar de inbrenger, noch naar de ingebrachte persoon, noch naar de situatie en noch naar de deelnemers van de groep. Integendeel, de precieze van het formaat zorgt ervoor dat er sympathie en mededogen wordt ontwikkeld, wanneer men zich aan het formaat houdt.
  • Een tweede kenmerk van de werkwijze is dat het gaat om het begrijpen van en meevoelen met de persoon die wordt ingebracht. Dat begrijpen en meevoelen is niet op een speciale theorie gebaseerd. Dat is gebaseerd op de levenservaring en menselijkheid van de deelnemers in de groep. Iedereen herkent de situatie van de inbrenger en de ingebrachte persoon in zichzelf. Daarmee wordt de ingebrachte persoon minder ‘een casus’, minder ‘een medisch probleem’ of  minder ‘een klacht’ en eerder een levend persoon. 
  • Door de precieze beschrijving ontstaat de gelegenheid en de uitnodiging om nieuwsgierig te zijn naar wie hij/zij is, wat hem/haar beweegt en waarom de specifieke context juist deze beschrijving oplevert. In die zin wordt er niet naar één aspect van de ingebrachte persoon gekeken maar naar de persoon als geheel. Bovendien creëert de precieze beschrijving minder mogelijkheden om eigen interpretaties op de persoon te projecteren: we zien de persoon daardoor beter. Gerichtheid op de (gehele) persoon is daarmee een derde kenmerk. 
  • Wanneer de ingebrachte persoon in de groep tot leven wordt gebracht wordt de situatie voor iedereen in de groep een direct gevoelde levendige (en levende) ervaring (ook wel ‘felt sense’ genoemd). We gaan daar intelligent mee om, ook al gaat het soms om heftig leed. Die direct gevoelde levendige ervaring is een belangrijk kenmerk van de beoefening van aandacht/gewaarzijn en een vierde kenmerk van deze werkwijze.
  • Een vijfde kenmerk is dat er voldoende tijd wordt genomen om de persoon die wordt ingebracht goed te leren kennen. Een eerste bijeenkomst kan soms twee tot drie uur nemen voordat de persoon goed in beeld is gebracht. Door voor deze beschrijving de tijd te nemen, een luxe in deze tijd, krijgen we meer ‘gevoel’ voor de persoon en krijgt de persoon meer betekenis. Daardoor kunnen we meevoelen.
  • Een zesde kenmerk is dat de ingebrachte persoon minutieus wordt beschreven door de inbrenger volgens een vast protocol. Eerst wordt het lichaam beschreven. Onder lichaam verstaan we de fysieke wereld van de persoon. Daarna wordt de spraak van de persoon beschreven. Hier gaat het om de wereld van de emoties, relaties, manifestatie, de energie van de persoon. Tot slot wordt de geest beschreven. Hier gaat het om het denken, de visie, de opvattingen van de persoon. Deze precisie maakt, naast de aandacht en gewaarzijn va alle betrokkenen, dat de persoon tot leven komt..

Om die beschrijving goed te doen moet de inbrenger de persoon redelijk kennen. De werkwijze heeft daarmee nog een nevenkenmerk. Het blijkt vaak dat we veel van iemand vinden of denken maar eigenlijk weinig details weten. De werkwijze stimuleert daarom ook dat we beter gaan kijken naar anderen voordat we een oordeel vormen. Gedurende deze werkwijze wordt de inbrenger uitgedaagd dat te doen.

Wat de werkwijze niet is

Het geheel aan beschrijving heeft als doel de werkelijkheid van de inbrenger zo precies mogelijk weer te geven. De werkwijze gaat dus niet om het oplossen van problemen van anderen. Het gaat ook niet om het kiezen van een kant: voor of tegen. Het gaat ook niet om het creëren van meningen of opvattingen en die proberen door te drukken. Het gaat ook niet om het ontwikkelen van algemene theorieën. Het gaat om het ervaren van hoe iemand ervoor staat. Het is daarom belangrijk om bij de discipline van de beschrijvingen van lichaam, spraak en geest te blijven en oplossingen, speculaties, theorieën achterwege te laten. De werkwijze ondersteunen door vragen te stellen om een preciezer beeld van de persoon te krijgen is aanzienlijk effectiever.